6 Stad

interview

Breitner: “Ik laat de vernieuwing van de stad zien” door Femke Deen

Kunstenaar brengt de moderne stad in beeld

p.rijks---Gezicht_op_de_Dam_te_Amsterdam

Gezicht op de Dam te Amsterdam, 1895 - 1898

Door George Hendrik Breitner. Bron: Rijksmuseum

Voor veel Amsterdammers is het een vertrouwd gezicht: George Hendrik Breitner knielend op straat achter een fotocamera, of driftig schetsend in een schetsblok. De schilder, die grote bekendheid verwierf met zijn stadsgezichten, wil de ‘peintre du peuple’ zijn: schilder van het volk. Op zijn schilderijen staan vooral gewone mensen centraal: werklui, dagloners, dienstmeiden en sjouwers. Een gesprek met Breitner in zijn atelier over zijn passies, dat halverwege een onverwachte wending neemt.

p.wiki - George_Hendrik_Breitner_portret.jpg

George Hendrik Breitner

Door Willem Witsen. Bron: Van Goghmuseum

Uw schilderij van de Singelbrug werd laatst verkocht voor 8100 gulden: het hoogste bedrag ooit betaald voor een schilderij. Toch is het geen echt Breitner-schilderij, vinden critici.

‘U doelt op het feit dat er een sjieke dame op staat afgebeeld? Ik ga daar niet over liegen: dat komt door mijn kunsthandelaar. Oorspronkelijk had ik een dienstmeid geschilderd, maar volgens mijn zaakwaarnemer was het beter als ik koos voor een mondainer type. En hij had blijkbaar gelijk. Het geld kan ik trouwens goed gebruiken - ik heb nogal eens financiële tegenvallers te verwerken namelijk.’

Toch schildert u over het algemeen vaak juist vaak gewone mensen. Waar komt die voorliefde vandaag? U komt zelf uit een welgesteld milieu.

‘Het gaat me niet zozeer om deze mensen op zich, maar om het weergeven van de eigentijdse geschiedenis, de schoonheid van onze eigen tijd. En die schoonheid zit ‘m juist in het dagelijks leven, niet alleen van het volk maar ook van de hogere kringen. Geschiedenis wil ik schilderen, maar in de breedste zin. Een markt, een kraai, een rivier, een bende soldaten onder een gloeiende zon of in de sneeuw. Dat is net zo goed geschiedenis als een schilderij van de tante en nichtjes van Spinoza die hem komen bezoeken.’

Amsterdam past ook beter bij mijn karakter: het is net zo impulsief en explosief als ik.

George Hendrik Breitner

U bent een Rotterdammer die zijn opleiding genoot in Den Haag maar die het bekendst is door zijn schilderijen van Amsterdam. Waaruit bestaat voor u de aantrekkingskracht van deze stad?

‘Het is niet alleen de schoonheid van de stad die me raakt, maar ook de dynamiek, de levendigheid. Hier is alles in beweging, er wordt volop gebouwd, het culturele klimaat floreert. Die vitaliteit wil ik vastleggen in mijn schilderijen. Juist de grote vernieuwingen in de stad laat ik zien, de bouwplaatsen met de werklui, de bedrijvigheid, prachtig! Amsterdam past ook beter bij mijn karakter: het is net zo impulsief en explosief als ik.’

U staat niet bekend om uw vrolijke kleurgebruik.

‘Dat klopt, juist het indrukwekkende van de sombere stad spreekt me aan. De grauwe kleur van aarde en modder, van de grijze Nederlandse luchten boven de zwartgeblakerde schoorsteenkanalen, daar kan ik gelukkig van worden.’

Hoe kan een schaduw nu blauw zijn?

George Hendrik Breitner

U wordt wel geschaard onder de impressionisten. Kunt u daarmee leven?

‘Ik streef niet naar een volledige en nauwkeurige weergave, maar ik geef de sfeer van een moment weer. In die zin voel ik me wel verwant aan de impressionisten. Maar eigenlijk voel ik me bij geen enkele stroming écht thuis. Al dat moderne gedoe van tegenwoordig. Mijn leerling Kees Maks gebruikte ooit blauw voor een schaduw. Hoe kan een schaduw nu blauw zijn?’

Op dit punt in het gesprek wordt er aangebeld bij het atelier op het Amsterdamse Prinseneiland. De eerder zo beheerste Breitner verschiet van kleur, staat op en gebaart de interviewster stil te zijn. Het blijkt Marie te zijn, de vrouw van de schilder. ‘Er zit zeker weer zo’n naakte meid achter de deur’, roept zij van achter de deur. Na een paar minuten geeft ze het op en kan het gesprek worden vervolgd.

p.rijks---RP-F-K89514

Uw vrouw vindt het niet goed dat u modellen ontvangt?

‘Marie is nogal jaloers aangelegd. Ze meent het niet slecht. Eerlijk gezegd had ik nooit gedacht dat ik zou trouwen. Trouwen moet je jong doen of nooit meer, heb ik altijd gezegd. Uiteindelijk ben ik toch gezwicht, op mijn 44ste. Je moet toch eerst een vrouw hebben die je hebben wilt. Ik ben ook de makkelijkste niet. Laat ik zeggen dat ze wel enige reden heeft om jaloers te zijn.’

Sommige critici menen dat uw schilderijen de laatste jaren achteruit zijn gegaan. Zijn uw hoogtijdagen definitief voorbij?

Ach, je maakt nu eenmaal vóór je veertigste betere dingen dan daarna. Maar ik blijf schilderen en mijn creativiteit is nog lang niet uitgeput. Men kan wel zeggen dat ik in herhaling val, maar mijn stadsgezichten zijn nu eenmaal geliefd. Ook bij mijzelf – ik doe niets liever dan de straat op gaan en laat me graag verrassen door wat ik tegenkom. Daarom ben ik ook zo blij met de uitvinding van de fotocamera: alles wat ik zie kan ik direct vastleggen, en die foto’s gebruik ik dan weer als inspiratiebron.’

Het gebruik van foto’s door schilders wordt niet door iedereen gewaardeerd. Er zijn mensen die het gebruiken van foto’s als basis voor schilderijen sterk afkeuren.

'Laat ik een ding vooropstellen: in mijn geval gaat het zeker niet om het maken van kopieën. Het zijn vooral tweederangs schilders die klakkeloos foto’s overschilderen in de hoop een plaats binnen de kunstwereld te veroveren. Ik gebruik foto’s als geheugensteun en als inspiratiebron. Ik zie zoveel dat ik het nauwelijks kan verwerken in mijn schetsboeken. Fotograferen is dan ook een uitkomst voor mij. Het is niet mogelijk dergelijke dingen te maken zonder hulp van foto’s. Hoe wil je dat ik een Amsterdamse straat maak? Ik maak krabbeltjes in mijn schetsboek, als het kan een studie uit een raam en een schets voor de details, maar de keus, de compositie is toch van mij. Ik ben trouwens zeker niet de enige die op deze manier te werk gaat. Mijn gewaardeerde collega Witsen doet het ook zo.’

Van Gogh heeft niets waar ik jaloers op hoef te zijn.

George Hendrik Breitner

Over collega’s gesproken: u bent een tijdlang opgetrokken met Vincent van Gogh. Hoe beviel die samenwerking?

‘Daar kan ik kort over zijn: hij was gek. We waren er eens samen op een snikhete dag op uit gegaan om te schilderen, en Vincent bleef maar in de brandende zon lopen. ‘Joh, kom toch hier in de schaduw’, zei ik. Maar Vincent reageerde: ‘Nee, ik blijf hier lopen, want voor de kunst moet je lijden.’ Over het kind van zijn maîtresse zei hij dat het net Jezus was. Allemaal doordraverij, als je het mij vraagt.’

Klinkt hier niet enige jaloezie door? Van Gogh’s schilderijen lijken sinds zijn dood in 1892 snel aan populariteit te winnen.

‘Jaloers? Zeer zeker niet. Een tijd geleden was ik naar een expositie van zijn werk in de Panoramazaal in Amsterdam, en ik werd niet vrolijk van wat ik zag. Ik kan het niet helpen, maar ik vind het kunst voor Eskimo’s. Ik kan er niet van genieten. Ik vind het grof en onhebbelijk, zonder de minste distinctie en bovendien is alles gestolen van Millet en anderen. Van Gogh heeft niets waar ik jaloers op hoef te zijn.’