6 Stad

column

Iedereen wil de stad in door Jonathan Maas

Wat heeft Amsterdam nodig om de komende decennia internationale kenniswerkers en specialisten aan te trekken? Het antwoord is simpel: huizen. Iedereen wil de stad in, maar dat kan nu niet. ‘Het is beangstigend hoe Den Haag nog in de groeimodus van de Vinex zit.’

jonathanmaas017BW

Jonathan Maas

Foto: Gerritjan Huinink

Amsterdam is een dorp, zegt menig Amsterdammer. Een gekscherende relativering om aan te geven dat onze hoofdstad geen Parijs of Londen is, maar ook vaak liefkozend bedoeld: wat is Amsterdam toch een overzichtelijke, kneuterige stad. Lekker gezellig. Met wat wereldallure en grote stad-voordelen (een divers uitgaansleven, winkelaanbod en reuring) maar wel op een dusdanige schaal dat je met veertig minuten van oost naar west fietst. Kom daar in Londen maar eens mee om.

Allemaal leuk, maar het schiet economisch niet op, waarschuwde dagblad Trouw recent. Steden zijn de motor van de economie. Dáár zitten de universiteiten, banken, verzekeringen en media, dáár vestigen internationale bedrijven zich en dáár willen hoogopgeleide kenniswerkers en cultureel creatieven elkaar tegenkomen – in de kenniseconomie draait het tenslotte om ontmoeten. Het probleem: de Nederlandse steden zijn te klein om internationaal mee te kunnen draaien en aantrekkelijk te zijn en blijven voor al dat hoogopgeleide talent.

Amsterdam is al heel aantrekkelijk voor jonge specialisten en internationale kenniswerkers en creatieven. De grootste klacht is dat je de stad niet in komt. Iedereen wil er in, maar het kan niet. Onze woningmarkt is compleet in de prak gelopen, alles zit muurvast.

Zef Hemel

Amsterdam of randstad?

Net als in de negentiende eeuw maken we een periode van verstedelijking mee. De doorzonwoning uit de tweede helft van de vorige eeuw is niet langer het ideaal: jonge mensen willen na hun studie in de stad blijven. Anderhalve eeuw geleden moesten onze steden worden ingericht op de toeloop van industriële werkers; met riolering, bedrading, infrastructuur en wat dies meer zij. Wat hebben onze steden nu nodig om de komende decennia internationale kenniswerkers en specialisten aan te trekken?

De discussie die speelt als het gaat om groei van de stad is de volgende: besluit je één stad echt groot te laten worden (Amsterdam), of probeer je de krachten van alle minder grote steden te bundelen en zorg je dat de Randstad met zeven miljoen inwoners één stedelijk gebied wordt waar je makkelijk van de ene stad naar de andere kunt reizen? Zonder dat je een halve dag vaststaat op de A4 of dat je over het spoor heen boemelt. Zef Hemel werkt voor de Amsterdam Economic Board en is bijzonder hoogleraar grootstedelijke problematiek aan de Universiteit van Amsterdam. Zijn standpunt is onomwonden: zet alle kaarten op Amsterdam! Niet voor niets hebben Philips en AkzoNobel hun hoofdkantoor verplaatst naar Amsterdam en wordt het marineterrein omgebouwd tot startuphub, allemaal gericht op de specialistische kennis die in de hoofdstad huist. Maar een stad met één miljoen inwoners is niet groot genoeg om al die kennis te herbergen. Hemel: ‘De volgende stap voor zulke ondernemingen is dan toch mogelijk verhuizen naar Londen.’

En dus moet het inwoneraantal van Amsterdam verdubbelen. Over wat er nodig is qua ruimtelijke inrichting kan hij kort zijn: woningen! ‘Amsterdam is al heel aantrekkelijk voor jonge specialisten en internationale kenniswerkers en creatieven’, weet Hemel. ‘De grootste klacht is dat je de stad niet in komt. Iedereen wil er in, maar het kan niet. Onze woningmarkt is compleet in de prak gelopen, alles zit muurvast. Terwijl er in de rest van Nederland allerlei ideeën worden bedacht zodat mensen daar alsjeblieft maar naar toe trekken.’

Het moet kneuterig en klein blijven, het mag vooral niet groeien. Het is beangstigend hoe iedereen nog in de groeimodus van de Vinex zit.

Zef Hemel

De ‘Haagse budgetten’ zijn er volgens Hemel op gericht dat zestig procent van de Nederlanders buiten de stad woont en veertig procent in de stad. Alsof de suburbanisatie nog steeds in volle gang is. Moet dat worden omgedraaid: zestig procent in de stad, veertig erbuiten? Nee, stelt Hemel drastisch, maak er maar honderd procent in de stad van. ‘Veel gemeenten hebben grond gekocht om doorzonwoningen te maken’, weet hij. ‘Het Rijk moet die gemeenten tegemoetkomen en ze helpen schoon schip te maken: “wij kopen de grond wel van jullie op als jullie beloven dat je niet meer buiten de stad bouwt”.’

Bouwen!

Amsterdam wil de komende jaren 5000 woningen per jaar bouwen. Niet genoeg, vindt Hemel, maak daar maar 8000 van. Hij ziet ook tal van plekken waar die kunnen komen. ‘Bij Weesp wordt nu op dure grond een laagbouwwijk gebouwd, terwijl op deze gunstige plek een stevige woonwijk in hoge dichtheid geboden is, met woningblokken zoals op het Amsterdamse Westerdokseiland en de nieuwe stadswijk Overhoeks. Pal aan de Vecht, dichtbij het station, op tien minuten afstand van Amsterdam Centraal, en met binnenkort de snelweg bij Muiden ondertunneld. In Diemen kan zo’n stevig stedelijk programma ook. Vervolgens trek je de metro in Amsterdam door naar Weesp en Diemen. Nu zeggen overheden: een groot metronetwerk past niet bij Nederland. Nee, héhéh, dan moet je grotere steden en in hogere dichtheden bouwen. Richting station Sloterdijk ontstaan mogelijkheden. In Noord en Nieuw-West kan de dichtheid omhoog. Langs het IJ is veel ruimte. Maak van de Gooiseweg, tussen het Amstelstation en de Bijlmermeer, een nieuwe Churchillaan met 15000 woningen aan weerszijden en trammetje door het midden.’

Je zou zeggen: voor een beleidsambtenaar met economische groei voor ogen een uitgelezen plan, meteen uitvoeren. Maar volgens Hemel is het ‘allemaal onbespreekbaar’. Verzuchtend: ‘Het moet kneuterig en klein blijven, het mag vooral niet groeien. Het is beangstigend hoe iedereen nog in de groeimodus van de Vinex zit.’

p.onbekend---luchtfoto-2-lowres

Kleinburgerlijkheid

Hemel wordt in zijn visie bijgestaan door de architect Neville Mars, van Nederlandse origine maar al jaren wonend en werkend in China, waar ik hem vier jaar geleden thuis opzocht. Ook Mars’ standpunt is: ophouden met buiten de stad bouwen. Maak de huidige stad compacter en verdicht die. Terwijl we op zijn balkon over Shanghai uitkeken, wees hij me op de dichtheid van zijn woonwijk, zo’n 30.000 mensen per vierkante kilometer. Toch keken we uit over laagbouw, slechts her en der prikte er een grote toren tussendoor. Mars: ‘Het is hoogstedelijk en je hebt toch vrij uitzicht. Bovendien zijn de pannenkoekverkoper op straat en het driesterrenrestaurant op loopafstand te vinden. Dat is een stedelijke rijkdom die onmogelijk is te creëren als je alles kost wat kost suburban wilt houden.’ Hij voegde er niet erg bemoedigend aan toe: ‘Voor die kleinburgerlijkheid ben ik gevlucht. Alles wat enige kloten heeft en spannend is, wordt in Nederland meteen weg gediscussieerd.’

Wil Amsterdam niet aan kleinburgerlijkheid ten onder gaan moet het dus als een malle woningen bouwen. What else? Moeten die nieuwe woonblokken bijvoorbeeld eigen winkelcentra krijgen, zoals je vaak ziet? Nee, stelt Hemel, een winkelcentrum als Oostpoort in Amsterdam-Oost is kansloos in deze tijd van internetshoppen. Winkelen gaat tegenwoordig samen met uitgaan en een terras bezoeken. Waarom zou je shoppen bij een onpersoonlijke keten die ook een webwinkel heeft? En dus is het mantra ook hier weer: vooral zorgen dat mensen in Amsterdam kunnen wonen en vanuit hun woning met goed openbaar vervoer snel naar het centrum kunnen – waar die leuke boetieks en terrassen zijn.

Een punt van zorg is natuurlijk wel: stel dat je alle kaarten op Amsterdam zet, wat moet er dan met de rest van het land gebeuren? ‘Als we willen dat Amsterdam twee miljoen inwoners krijgt, houd je in de rest van het land nog vijftien miljoen mensen over’, rekent Hemel uit. Om er spottend aan toe te voegen: ‘Dus waar hebben we het over?’