6 Stad

basic

Weg van de steden door Maarten Slagboom

De utopie van Frederik van Eeden

v.038 - eeden

Frederik van Eeden, schrijver van de bekende boeken ‘De kleine Johannes’ en ‘Van de koele meren des doods’ , en ‘early adapter’ in de psychotherapie, trekt eind negentiende eeuw weg uit de moderne, lawaaierige stad. In de geest van “terug naar de natuur-romantiek” richt hij de kolonie Walden op. Researcher Maarten Slagboom ging voor De IJzeren Eeuw op zoek naar Walden en het verhaal van Frederik van Eeden.

Van de lange rijen bomen die ooit parmantig aan weerszijden van de oprijlaan naar Villa Cruysbergen stonden, resteert nog maar een klein aantal. Ze vormen nu een kleine groene oase op een mistroostige parkeerplaats, ingeklemd tussen de Gamma en het tankstation. Villa Cruysbergen was eens het hoofdkwartier van de landbouwkolonie Walden, een commune geboren uit idealisme aan de vooravond van de twintigste eeuw.



‘Als we vroeger via Bussum en Weesp naar Amsterdam reden,’ zegt journaliste Jos de Ley, ‘dan keek mijn moeder hier altijd uit het raam en dan verzuchtte ze: daar was Walden. Er hing dus voor mij van jongs af aan een zweem van romantiek en nostalgie omheen. Mijn ouders zaten in het onderwijs en wisten de liefde voor geschiedenis goed over te brengen. Bovendien kom ik uit een rood onderwijzersnest, waarin het socialistische ideaal hoog in het vaandel stond. Walden paste in die levensfilosofie.’

Walden

De kolonie Walden, gesticht door de bekende schrijver en psychiater Frederik van Eeden (1860-1932), blijft Jos de Ley achtervolgen, en eigenlijk vindt ze dat wel leuk. Ik rijd met haar langs de locaties waar nog altijd een aantal hutten en huizen te vinden is die deel uitmaakten van de leefgemeenschap die gebaseerd was op gemeenschappelijk grondbezit. Hier ergens moet Van Eeden hebben staan spitten. Hij was hier euforisch, depressief, verliefd, gefrustreerd – noem een gemoedstoestand en hij verkeerde erin.

Met dank aan zijn dagboeken weten we vrij nauwkeurig hoe hij zich waar en wanneer voelde en wat hem bezighield. Het zijn vooral de euforische momenten in Walden die ontroeren.

Van morgen heerlijk gespit. Als dit bedrijf nu, zoals het natuurlijk worden moet, was zonder zorg, van zelf marcherend door regel en orde en zich makkelijk zelf dekkend, dan is er geen voortreffelijker leven op aarde denkbaar. Het zou mij in alles voldoen, en geen uur van den dag zonder vrede of glans laten. Bij hem [vriend Lodewijk van Deyssel] had ik niet dat prettige van vroeger omdat ik nu zoveel beters ken. Ik dacht aan mijn hut, mijn landwerk, en toen vond ik zijn bestaan zoo griezelig duf en ongezond.

Frederik van Eeden de dag na een bezoek aan zijn vriend Lodewijk van Deyssel
p.2533---HQ-grad-Frederik-van-Eeden

Frederik van Eeden, 1907

In de oostersche rookkamer van den heer H.J. Boon. Bron: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam

In de “terug naar de natuur-romantiek” die Van Eeden op Walden paart aan een ideaal over de hervorming van de samenleving, tekent zich een vroege voorloper van de hippiebeweging en de huidige duurzaamheidsideologie af. Er zijn perioden waarin Frederik van Eeden op Walden zijn geluk niet op kan. Met het idee een kolonie op te richten loopt hij langer rond. ‘Ik zag een huttenkolonie in het Vierhoutensche bosch’, schrijft hij in de zomer van 1897, ‘en ik heb nu nog maar een ideaal, mijn leven door te brengen in zoo’n hut, in dat bosch.’ Datzelfde jaar maakt hij ook voor het eerst melding van een bijzonder boek dat hij heeft gelezen en vermoedelijk van J.P. Thijsse te leen heeft gehad, de man aan wie we organisaties als Natuurmonumenten en de Vogelbescherming danken en die bevriend was met Van Eedens vader. ‘Walden, or Life in the Woods’ heet het boek, het werd al in 1854 geschreven door de Amerikaan Henry David Thoreau en laat zich lezen als een pleidooi voor een ascetisch leven in de natuur.

Het is niet vreemd dat Thoreaus hut in het bos Van Eeden juist in deze periode van zijn leven sterk aansprak. Er was grote weerstand tegen zijn grootschalige plannen (waaronder de zogenoemde “Rijkshoeven”, coöperatieve staatsboerderijen), in zijn psychiatrische praktijk had hij steeds minder fiducie en privé ging hem ook al niet echt voor de wind. In een lezing in 1898 legde Van Eeden uit wat hem met Walden voor ogen stond.

Gemeenschappelijk grondbezit, met niet communistische, maar coöperatieve werk- en verbruiksverdeeling. Ieder hebbe zijn huis en hof, ieder zij geheel vrij in zijn overtuiging, in de beschikking over zijn middelen, in het vragen van loon, in de keuze van werk. Maar de grond komt niemand meer toe dan een ander; zij blijft gemeenschappelijk eigendom van diegenen die er op wonen en die direct of indirect meehelpen aan haar cultuur.

Frederik van Eeden

Deceptie

Voor mensen in de omgeving groeide Walden uit tot een attractie. Zelfs vanuit Amsterdam kwamen mensen op zondag om een dagje naar de ‘natuurmenschen’ te kijken. Stel je voor: mensen op sandalen die er bewust voor kozen om in hutten te leven, half in de grond!

Na een kleine tien jaar ging de kolonie ten onder, vooral aan financieel wanbeheer. Ruim veertig jaar geleden wijdde Jos de Ley haar doctoraalscriptie aan Walden. Wie het leest volgt het hele proces, van de euforie tot de deceptie. Jos de Ley: ‘Als mensen zeggen ‘maar het draaide toch uit op een mislukking?’ ergert me dat een beetje. Het is me te makkelijk. Het heeft al met al toch liefst tien jaar gefunctioneerd, dat is best lang. Vroeger gaf ik wel eens een lezing aan Gooise chic en dan hoorde ik ze altijd een beetje gniffelen, zo van: ach ach, die mensen met hun natuur-ideeën en gemeenschapsidealen, dat kon natuurlijk niet goed gaan.

Zelf denk ik dat het veel beter had kunnen aflopen als Van Eeden het beter had voorbereid. Hij wilde te veel te snel. Maar ondanks dat zie ik Walden als een succesverhaal, kijk alleen maar naar de bakkerij en de chocolade-afdeling, die boerden goed. Een van de vele redenen waarom Walden ten onder ging is dat die succesvolle takken veel geld moesten afdragen aan de gemeenschappelijke pot, een beetje zoals dat nu binnen de gelederen van de SP nog steeds gebeurt.’

Veel meer dan in de ‘terug naar de natuur’-romantiek is De Ley altijd geïnteresseerd geweest in Van Eedens socialistische ideaal. ‘Hoewel hij zich omringde met kunstenaars en een aantal van zijn patiënten – van wie er overigens twee zelfmoord pleegden op Walden – was het Van Eeden volgens mij vooral te doen om de negatieve gevolgen van de industrialisatie voor de gewone man. Waarop hij zich totaal verkeek was het feit dat hij een kolonie stichtte op armoedige grond. Simpelweg het gevolg van een totaal gebrek aan kennis van zaken. Er is hier in het Gooi nergens vruchtbare grond. Hij heeft zich niet voldoende georiënteerd, dacht: dat bemesten we wel, dat doen we wel even.

En hij dacht ook zomaar even een commune te kunnen stichten, ook iets dat hij echt onderschatte. Pas na de eeuwwisseling, zo vanaf 1902, werd er echt goed geballoteerd. Daarvoor was er een groep mensen met eigen inbreng die als het ware uit de gemeenschappelijke kas kon graaien, en een groep mensen die weekloon kreeg. Alle idealen ten spijt bestond de klassenstrijd dus gewoon op Walden, zeker in het begin.’

Geneesheer van de samenleving

Voor hij in 1898 Walden stichtte, deelde Van Eeden een psychiatrische praktijk in Amsterdam met Albert van Renterghem. Na jaren van diagnoses bij individuele patiënten ging hij er steeds meer toe over de hele moderne samenleving te diagnosticeren. De modeziekte van eind 19e eeuw, met vergelijkbare symptomen als ADHD nu, was neurasthenie. In grote lijnen werd de samenleving in de optiek van Van Eeden ziek omdat er met de industrialisatie en vooruitgang iets wezenlijks verloren was gegaan. Vooral in de grote steden gingen mensen gebukt onder alles wat nog maar zo kort geleden omhelsd was onder het mom van de vooruitgang.

Die moderne, leelijke en afzichtelijke menschenhoopen, die kankergezwellen op de schoone aarde, verpest door rook en stank en ontaarde menschen

Van Eeden over steden
p.kb - kleinejohannes.jpg

‘De kleine Johannes’, 1887

Bron: Koninklijke Bibliotheek

In ‘De kleine Johannes’, één van Van Eedens meest succesvolle boeken, zegt het elfje Windekind tegen de hoofdpersoon uit de titel: ‘Onder menschen wacht u eindeloos verdriet, verveling, vermoeienis en zorg’. De mens, heet het in de novelle, is ‘het verfoeilijkste gedrocht der schepping dat geheel vervreemd is van de natuur en haar medeschepselen’. Meer en meer ziet Frederik van Eeden in de jaren na het verschijnen van ‘De kleine Johannes’ een grote rol voor zichzelf weggelegd als geneesheer van de samenleving.

Veel van de nieuwe aandachtsgebieden die rond de eeuwwisseling en vogue raken hebben zijn interesse: van de natuur tot droomanalyse en van vegetarisme tot spiritisme. Een van de belangrijkste remedies is de trek naar buiten, naar het platteland en de natuur, om er te helen. Niet voor niets gaat de genezing van Hedwig, de getormenteerde hoofdpersoon in de roman ‘Van de Koele Meren des Doods’, gepaard met een rustig leven op het platteland. Ze verruilt genot en egoïsme voor een dociel en rustig leven. In deze tijd zouden we misschien zeggen: ze gaat ontstressen met behulp van ‘mindfullness’.

IJzeren kooi

Frederik van Eeden past naadloos in het fin de siècle. Het is alsof er aan het eind van de eeuw van de vooruitgang steeds meer mensen zijn die zich ongemakkelijk voelen bij de veranderde wereld. Vooral de grote nadruk op wetenschap, technologie en rationaliteit stuit een deel van de stedelijke elite tegen de borst. Het is die drie-eenheid die in De IJzeren Eeuw van de samenleving onbedoeld een ijzeren kooi (‘stahlhartes Gehäuse') heeft gemaakt, zoals socioloog Max Weber dat in 1919 zou noemen. Een kooi waarin geen aandacht meer is voor zingevingsvragen en alles draait om geld en ratio. Is er in de ‘onttoverde’ wereld nog wel ruimte voor de natuur, voor magie, religie, zelfreflectie, zingeving en spiritualiteit?

In zijn dagboeken, die Frederik van Eeden schrijft vanaf 1875 als hij op de HBS zit, onderwerpt Van Eeden zichzelf regelmatig aan een karakteranalyse. Hij wil graag iemand uit één stuk zijn. Op z’n zestiende weet hij zeker dat hij schrijver wil worden. Maar wat hem op een vreemde manier aantrekkelijk maakt is het idee dat hij juist niet die man uit één stuk is geworden die hij wilde zijn. Het maakt hem in die zin de meest menselijke van de stoet aan helden en pioniers die in De IJzeren Eeuw aan ons voorbij trekt. Voortdurend slaat hij zijwegen in, nergens leidt hij zijn leven volgens het sjabloon dat hij voor zichzelf heeft ontworpen. Van alle hoofdpersonen in de documentaireserie is hij zonder enige twijfel de meest grillige, een rusteloze, onvoorspelbare man op wie je maar moeilijk grip lijkt te kunnen krijgen. Het paradoxale is dat dat ongetwijfeld juist voor een belangrijk deel te maken heeft met de grote hoeveelheid ego-documenten, in het bijzonder de dagboeken waarin alle twijfels, wanhoopsdaden, zorgen en overpeinzingen nauwkeurig beschreven staan.

Rusteloos

p.2604---HQ-grad

Frederik van Eeden, ca 1906

Te Walden. Bron: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam

Zijn biograaf Jan Fontijn zegt: ‘De vraag of de dagboeken een oprecht, authentiek beeld schetsen kun je bij elke schrijver stellen. Met het schrijven van dat dagboek imiteerde hij z’n vader, die hem leerde dat het noteren van je leven goed was voor de contemplatie. Ik denk dat Van Eeden in zijn latere dagboeken zeer oprecht was, hij ging ook erg ver in de analyse van zichzelf. Hij had een complexe persoonlijkheid, maar het voordeel van zijn rusteloosheid is dat hij nieuwsgierig bleef. Aldoor weer op zoek naar nieuwe terreinen die hem iets over het leven konden leren. Dat betekende dat hij overal aan rook, van proefde, maar zelden of nooit lang vasthield aan een onderwerp. Hij heeft zoveel terreinen beslagen, je kunt via hem echt het totale spectrum van het fin de siècle leren kennen – een prisma van kleuren die toch een gekke eenheid vormen. Als signaleerder van wat er te koop was in de wereld was hij erg goed en heeft hij een niet te overschatten rol gespeeld.’

‘Ik geloof niet dat Van Eeden dubbelzinnig was als hij aan een nieuw avontuur begon, of het nu het spiritisme, de kolonie Walden of de Forte-Kreis was, de kring van beroemde Europeanen die als een bond van genieën de wereld zou gaan redden. Hij was domweg niet in staat zich strikt bij één onderwerp te houden, hij hunkerde altijd weer naar iets anders dat misschien nog alles-omvattender was. Ondanks de kritiek die hem ten deel viel en de karikaturen die van ‘m werden gemaakt ging hij daar gewoon mee door. Hoewel hij natuurlijk tussentijds wel last had van soms hardnekkige depressies.’

Journalist Jos De Ley is ambivalent in haar eindoordeel. ‘De mens Frederik van Eeden is me later erg gaan tegenstaan. Eerst vond ik hem een held, later vond ik hem vooral megalomaan. Hij dacht dat ie werkelijk alles kon. Droeg de wereld op z’n schouders. Zolang de hele wereld maar naar hem zou luisteren, dan zou alles goed komen. Als het om Walden gaat ben ik er overigens wel van overtuigd dat hij er volkomen oprecht aan begon, zonder dubbele agenda of wat dan ook. Als de boel eenmaal op de rails staat, moet hij gedacht hebben, dan trek ik me weer in m’n literaire, ivoren toren terug. Je ziet ook dat hij zo rond 1903 zegt: ik moet echt weer schrijven, ik moet me aan m’n literaire werk zetten. En hij heeft dan ineens heel veel aandacht voor de Spoorwegstaking, waarmee hij zijn aandacht dus steeds meer verdeelt. Dat hij, toen Walden niet meer te redden viel, bleef zeggen dat het al die tijd om een experiment ging, vond ik laf. Alsof het nooit echt serieus bedoeld was geweest. Dat was het natuurlijk wel.’

p.2510---HQ---grad

Frederik van Eeden

Aan het bureau in zijn werkkamer te Walden. Bron: Letterkundig Museum

Idealisme

‘Het socialistische ideaal achter Walden vind ik nog steeds mooi. Ik heb me zelf ook lang beziggehouden met allerlei vormen van zelfbestuur in het bedrijfsleven. Ik heb een tijd gewerkt bij de Stichting Zelfbestuur in Utrecht, die verbonden was aan de Associatie Bedrijven op Coöperatieve Grondslag. Arbeiderszelfbestuur heb ik altijd een mooi ideaal gevonden. Met het commune-achtige aspect heb ik minder. Dat wil zeggen: ik heb zelf nooit enige behoefte gehad in commune-vorm te leven. Verder dan een studentenhuis waar je ruzie kreeg over het schoonmaakrooster ben ik nooit gekomen.’

Jan Fontijn: ‘Aan de ene kant heb ik er de pest in dat hij zich niet op iets richtte of ergens aan vast bleef houden, aldoor dat switchen en daar dan weer het middelpunt willen zijn, aan de andere kant is de doorgeefluikfunctie die hij vervulde buitengewoon belangrijk. Uiteindelijk overheerst bij mij de bewondering. Hij werd afgebrand, maar ook op een voetstuk geplaatst. Hij was de Nederlandse Tolstoj, de schrijver-intellectueel die alle informatie in zich opnam, stelling nam en zo de kennis verbreidde. Hoewel zijn boeken natuurlijk niet zo goed zijn als die van Tolstoj zullen we hem in de eerste plaats blijven herinneren als de schrijver van een paar erg goede romans. ‘Van de Koele Meren des Doods’, dat ik nog niet zo lang geleden weer herlas voor een nieuwe bezorging, en ‘De kleine Johannes’ beschouw ik nog altijd als prachtboeken. Maar het meest geprononceerd van alles is toch zijn idealisme. Het continu stellen van doelen: daar moeten we heen, gepaard aan die enorme nieuwsgierigheid. Hij is symbolisch voor die periode rond de eeuwwisseling omdat hij geen houvast heeft. Er is die permanente onrust doordat oude zekerheden – vooral de religieuze, maar ook de hiërarchische – zijn weggevallen. Die zoektocht leidde hem langs veel, en uiteindelijk belandde hij moegestreden bij het katholicisme. Dat is ook wel ironisch eigenlijk: een leven lang zoek je naar nieuwe richtingen om je bestaan te rechtvaardigen en waar beland je uiteindelijk? Bij het aloude katholicisme.’

Tegen het eind van zijn leven, in 1921, ontwierp de onverbeterlijke levensverbeteraar Van Eeden geïnspireerd door spiritistische seances samen met architect Jaap London zelf alsnog een stad. De Lichtstad doopten ze hun utopie. Het zou een stad worden, ergens op een mediterraan eiland, die ‘streeft naar eevenwigt, de eerste harmonisch gelukkigen menschenstad. Aan deze geweldige twintigste eeuw om het uit te voeren’. Die droom werd nooit verwezenlijkt.

Dit is een verkorte versie van een stuk dat eerder verscheen op www.schift.nl

Meer over Frederik van Eeden en Walden in aflevering 13 van De IJzeren Eeuw: ‘De ijzeren kooi’. Vanaf vrijdag 26 juni 2015 te zien om 21.05 uur op NPO 2 of op www.npogeschiedenis.nl/ijzereneeuw